zaterdag 29 april 2017

Boshyacint (Hyacinthoides non-scripta)

 
In het Begijnhof te Brugge vond ik enkele exemplaren van de wilde boshyacint Hyacinthoides non-scripta). Je kan de wilde hyacint onderscheiden van de Spaanse hyacint (Hyacinthoides hispanica) doordat de bloemen van de wilde hyacint veel smaller zijn, en hun kelkslippen duidelijk zijn teruggeslagen. De bloemtros helt duidelijk naar één kant over en bij warm weer geuren de bloemen sterk.
Het blad van de wilde hyacint zijn smal, hoogstens 1.5 cm breed.



Gewone boshyacint (begijnhof)

Spaanse boshyacint

Spaanse boshyacint (domein De Koude Keuken)


Sleutelbloem (Primula elatior)



De slanke sleutelbloem (Primula elatior) is een kleine, overblijvende plant uit de sleutelbloemfamilie (Primulaceae).
Primula is de verkleiningsvorm van primus (eerste), hetgeen wijst op de vroege bloei van veel soorten. Elatior betekent " hoger" .

De gekartelde en gerimpelde bladeren zijn eirond tot langwerpig. Het blad is in de gevleugelde steel plots versmald. De stengels zijn duidelijk behaard. De bladeren zijn aan de onderkant grijsgroen.

De lichtgele, zachtgeurende bloemen zijn 1,5–2 cm breed. De kroonbladeren zijn aan de voet vergroeid tot een buis. De bloeiperiode valt in de periode maart tot mei. De bloemen zijn in een langgesteeld scherm gegroepeerd, in groepjes van één tot twintig. Meestal hangen ze naar één zijde.

De doosvormige vruchten zijn langer dan de kelk. Het is een doosvrucht met deksel, omhuld door een blijvende kelkbuis. De vrucht bestaat uit een enkel hok met talrijke zaden.


Disclaimer:

"Wilde planten in Brugge" is niet verantwoordelijk voor eventuele schade, van welke aard dan ook, als gevolg van het gebruik van planten voor medische of culinaire doeleinden.  “Wilde planten in Brugge” kan niet aansprakelijk gesteld worden voor aanspraken die voortkomen uit de verkeerde determinatie van een kruid of het verkeerde gebruik ervan in de ruimste zin van het woord. Dit artikel vervangt niet het deskundig advies van een arts of een erkend fytotherapeut.


Reigersbek - Erodium cicutarium var. pimpinellifolium


De reigersbek (Erodium cicutarium) is een plant uit de ooievaarsbekfamilie (Geraniaceae). De plant komt voor op voor zanderige grond. De soort is zeer vormenrijk, er worden dan ook meerdere ondersoorten onderscheiden.
 
De vrucht lijkt op de snavel van een reiger, vandaar de Nederlandse naam reigersbek. Erodium is afgeleid van het Griekse erodios (reiger), omdat de vruchten op de snavel van een reiger lijken. Cicutarium betekent als Cicuta (Waterscheerling).
 
 
Reigersbek (Erodium cicutarium) is een soort die in heel Nederland en België te vinden is. Er zijn twee ondersoorten, waarvan duinreigersbek (subsp. dunense) in de kustregio voorkomt en gewone reigersbek (subsp. cicutarium) zowel in het binnenland als aan de kust. In de kustregio wordt ook nog kleverige reigersbek (Erodium lebelii) gevonden. In onderstaande tabel staat weergegeven hoe deze drie taxa van elkaar verschillen.
 




Citroenmelisse (Melissa Officinalis)

 

Citroenmelisse is van oorsprong een plantje uit het Middellandse Zeegebied, en werd van daaruit over heel Europa verspreid vanuit de diverse kloostertuinen.
Karel de Grote was zodanig overtuigd van de bijzondere geneeskrachtige werking van citroenmelisse (vooral met betrekking tot nerveuze klachten), dat hij in zijn Capitularis de Villis verordende dat het plantje op al zijn landgoederen doorheen zijn rijk zou worden aangeplant.
 
Medicinaal gebruikt men het hele bovengrondse deel van het niet-bloeiende kruid.
Het kruid heeft een licht krampstillende werking, en wordt ook gebruikt om de eetlust op te wekken, het zweten te bevorderen en bij maagklachten. De etherische olie (die erg duur is, en daarom vaak vervalst wordt aangeboden) heeft anti-bacteriële en antivirale eigenschappen. Deze olie wordt verder nog gebruikt om zenuwachtigheid en slapeloosheid te verminderen, bij krampen en verslijming van de luchtwegen (ja, hoe vertaal ik eigenlijk ‘bronchiale catarre’ op een fatsoenlijke manier in het Nederlands), en ook bij maagproblemen.




 Bij astma kan het kruid als adjuverende therapie nuttig zijn, omwille van de ontkrampende werking op de luchtwegen en de anti-histamine werking (bij allergisch astma). Voor deze laatste werking doet men echter best beroep op de etheische olie van citroenmelisse die echter moeilijk verkrijgbaar en zeer duur is. (Koop geen goedkope olie van citroenmelisse, je kan er zeker van zijn dat die niet echt is….)


Melisse kan heel nuttig zijn bij de behandeling van misselijkheid en andere ingewandsklachten…. Het verminderd darmkrampen, en brengt het hele spijsverteringssysteem tot rust. Het kan heel veilig gebruikt worden bij misselijkheid en braken tgv maagproblemen. Ook bij winderigheid kan melisse verlichting brengen.
Voor deze indicaties kan melisse eventueel gecombineerd worden met Hop, Kamille, Moerasspirea…


Vooral in de Duitstalige literatuur wordt Citroenmelisse aanbevolen bij menstruatieklachten (en vandaar de volksnaam ‘Frauenwohl’).

Het gebruik bij slapeloosheid en nerveuze klachten is eigenlijk het best bekend, en allicht één van de belangrijkste indicaties voor het kruid. Het kruid is het meest op zijn plaats bij die mensen, die eigenlijk altijd het goede met anderen voorhebben, en die uit hun evenwicht raken als hun binding met de mensen om hen heen, of met hun omgeving in bredere zin, verstoord raakt. (NB: volgens de oude alchemisten was koper het element dat analoog was aan de planeet Venus, en ook nu nog zien we koper opduiken in allerhande ‘verbindingen’: waterleiding, elektriciteitsdraden… en toeval of niet, maar citroenmelisse heeft een behoorlijk gehalte aan koper…)


In de hedendaagse fytotherapie is tenslotte erg veel onderzoek gebeurd naar het gebruik van citroenmelisse bij Herpes-simplexinfecties (koortsblaasjes), en er zijn dan ook al zalven verkrijgbaar voor gebruik bij Herpes die citroenmelisse bevatten. Ook kan je
aanstippen met Melisse-tinctuur. Voor kinderen wordt soms aangeraden om een sterke citroenmelisse-aftreksel tot ijsblokjes te laten bevriezen, en hen deze te laten opzuigen, waarbij het blokje ook goed tegen het koortsblaasje wordt gewreven…

(bron : http://annetanne.be/kruidenklets/uit-de-kruidenmand/kruiden-a-j/melissa-officinalis-citroenmelisse/)

Disclaimer:

"Wilde planten in Brugge" is niet verantwoordelijk voor eventuele schade, van welke aard dan ook, als gevolg van het gebruik van planten voor medische of culinaire doeleinden.  “Wilde planten in Brugge” kan niet aansprakelijk gesteld worden voor aanspraken die voortkomen uit de verkeerde determinatie van een kruid of het verkeerde gebruik ervan in de ruimste zin van het woord. Dit artikel vervangt niet het deskundig advies van een arts of een erkend fytotherapeut.


Vroegeling ( Erophila verna)

 
 
Vroegeling ( Erophila verna )
Erophila komt van het Griekse er (voorjaar of vroeg) en phile (houden van). Verna betekent " in het voorjaar" .
 
Vroegeling (Erophila verna, synoniem: Draba verna) is een 1-15 cm hoge, eenjarige plant. De plant bloeit van februari tot mei met kleine 2-5 mm grote, witte bloemen. De kroonbladen zijn diep tweeslippig. De bloeiwijze is een tros.
De bladeren zijn lancetvormig en staan bijna allemaal in een rozet. De plant is variabel in beharing.
De 1,5-3,5 cm lange, meestal rechtopstaande hauwtjes zijn afgeplat. In een hauwtje zitten vijftien tot vijfentwintig, roodbruine, circa 0,5 mm lange zaad.
De plant kiemt in het najaar. De soort brengt de winter door als rozet en bloeit in het vroege voorjaar. In de lente zet de plant vrucht en in het begin van de zomer is de plant afgestorven om vervolgens in het najaar op te slaan uit het zaad.



Vaak komt de plant massaal voor op haar groeiplaats. Deze krijgt dan vroeg in het jaar een witte waas van al die kleine bloempjes. Voor sommige mensen is dit een teken dat het voorjaar er aankomt. Als de hauwtjes opengaan geven de witte tussenschotten weer een opvallend witte waas over de plantjes.

 
 





Sneeuwroem (CHIONODOXA)


Chionodoxa (Nederlandse naam: Sneeuwroem) is een vrolijke bolgewasje. Ze is geschikt voor verwildering in een weitje, in een border, of onder bladverliezende struiken, bomen en hagen. Chionodoxa zaait zich gemakkelijk uit en doorstaat een droog voorjaar of hete zomer prima.
Chionodoxa lijkt veel op Scilla; kleine verschillen tussen de twee geslachten zijn te vinden in de meeldraden en buitenste bloembladeren. Chionodoxa is inheems in het oostelijk deel van het Middellandse-Zeegebied. Echte stinzenplanten zijn de Chionodoxa luciliae en Chionodoxa sardensis. Deze komen verwilderd voor op oude buitenplaatsen. De Chiondoxa forbesii is wat groter en geeft meer kleur.
 
 






Zandraket (Arabidopsis thaliana)


 
Zandraket (Arabidopsis thaliana) is een eenjarige plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae).
 
De plant bloeit in april en mei. De meeste bladeren staan onderin in een wortelrozet. Ze variëren van eirond tot lancetvormig en hebben geen slippen.
De vier witte kroonblaadjes zijn niet groter dan 0,5 cm.
 
In het rozetstadium kan de zandraket van herderstasje met behulp van een loep onderscheiden worden op grond van de vorm van de haren. Bij zandraket zitten op de bladeren alleen gegaffelde en enkelvoudige haren, het herderstasje bezit naast enkelvoudige ook sterharen. 
 

 
Arabidopsis verwijst naar Arabië (Arabis komt van arabia, waarschijnlijk is dit een verwijzing naar de droge situaties waar vele soorten groeien). De Nederlandse plantennaam raket komt van het Franse roquette, dat is afgeleid van het Latijnse eruca, de naam voor een koolplant. Thaliana is genoemd naar de Duitse arts en botanicus Johannes Thal (1542-1583).

Disclaimer
"Wilde planten in Brugge" is niet verantwoordelijk voor eventuele schade, van welke aard dan ook, als gevolg van het gebruik van planten voor medische of culinaire doeleinden.  “Wilde planten in Brugge” kan niet aansprakelijk gesteld worden voor aanspraken die voortkomen uit de verkeerde determinatie van een kruid of het verkeerde gebruik ervan in de ruimste zin van het woord. Dit artikel vervangt niet het deskundig advies van een arts of een erkend fytotherapeut.


streephyacint (Scilla mischtschenkoana)




 
De streephyacint (Scilla mischtschenkoana) is een plant uit de aspergefamilie. Ze wordt ook wel witte sterhyacint genoemd.
De plant komt van nature voor in de Kaukasus en Zuid-Rusland. In 1931 of 1936 introduceerde het Nederlandse bollenbedrijf Van Tubergen deze plant in tuinen in West-Europa. De plant wordt daarom vaak aangeduid als Scilla mischtschenkoana 'Tubergeniana', alsof het een cultivar zou zijn of zelfs als Scilla tubergeniana, alsof het een andere soort zou zijn.

Disclaimer
"Wilde planten in Brugge" is niet verantwoordelijk voor eventuele schade, van welke aard dan ook, als gevolg van het gebruik van planten voor medische of culinaire doeleinden.  “Wilde planten in Brugge” kan niet aansprakelijk gesteld worden voor aanspraken die voortkomen uit de verkeerde determinatie van een kruid of het verkeerde gebruik ervan in de ruimste zin van het woord. Dit artikel vervangt niet het deskundig advies van een arts of een erkend fytotherapeut.

woensdag 3 augustus 2016

Duivenkervel


Duivenkervel -  Fumaria officinalis
 

Duivenkervel behoort tot de Papaverfamile, Papaveraceae.

Duiven eten graag van de plant en de bladen lijken op die van kervel, vandaar de Nederlandse naam.

Fumária stamt af van het Latijnse woord fumus, wat ‘rook’ betekent. Maar wat heeft rook nou met dit plantje te maken?

Omdat men vroeger meende dat het plantje zich uit damp, die uit de aarde opsteeg, kon ontwikkelen. Vandaar de bijnaam ‘Aardrook’. Heel vroeger vertelde men elkaar dat heksen en tovenaars de plant in hun offervuur wierpen en zij door de rook van duivenkervel onzichtbaar werden. Dat zou kunnen zijn omdat omstanders de stekende rook in de ogen kregen en niets meer konden zien.

Een andere verklaring voor de naam is iets vrolijker van aard. Het verhaal is dat meisjes in die tijd elkaar vertelden dat wanneer je duivenkervel op je boezem droeg, de eerste de beste vrije man die je tegen kwam je toekomstige echtgenoot zou worden. Ook werd het door diezelfde meiden geplukt en gekookt met melk en wijwater. Het rode vocht werd op feestdagen op hun wangen gesmeerd.  Blozende wangen was het effect.

Een meer logische verklaring voor de mooie naam van het plantje is dat het graag gegeten wordt door duiven. En vanwege de gelijkenis met de bladeren van het keukenkruid kervel, heet dit algemeen voorkomend plantje gewone duivenkervel.
De gewone duivenkervel is een eenjarige, kruidachtige plant. De 6-9 mm lange bloemen staan in trossen van tien tot vijftig stuks. Ze zijn purperrood, met een zwart purperen top en een groene kiel. De vrucht is een nootje met één zaadje. De bladen zijn dubbel geveerd.

Een bijzonderheid is wel dat er in de spoor aan de achterkant van elke bloem nectar zit, maar dat de meeste insecten hiervoor nauwelijks of geen belangstelling hebben. Dat deert het plantje niet want met zelfbestuiving komen er ook vruchten.

De gewone duivenkervel is reeds sedert de oudheid bekend om zijn geneeskracht. Dioscorides en Galenus vermeldden in de 1ste en resp. de 2de eeuw na Chr.  De werking van de plant op de galafscheiding en de leverfunctie.

Plinius de Oudere (circa 23 – 79 na Chr.) noemde de plant al, en in alle belangrijke kruidboeken uit de middeleeuwen komt hij voor.

In de 10de eeuw gaven Arabische heelmeesters hoog op met de kwaliteiten van de duivenkervel, en in de 16de eeuw steekt Matthiolus er de loftrompet over  als een specifiek middel tegen stoornissen van het darmkanaal.  Maar zijn belangrijkste vermogen is hierin gelegen dat hij een lange levensduur garandeert.

De plant bevat een aantal alkaloïden, waarvan fumarine de voornaamste is, en daarnaast kaliumzouten, flavonoïden en tannine. Een aftreksel van de gedroogde plant is werkzaam tegen huidaandoeningen als eczeem en het werkt laxerend en eetlust opwekkend.
 

Aardrook!

Dioscorides (circa 40-90 na Chr.) noemde de plant Kapnogorgion of Kapnos, wat ‘hevige rook’ betekent.  Alleen hij schreef dat het sap van dit kruid het gezicht sterkt en de ogen doet tranen en Plinius zei zelfs “dat het, gelijk rook, de tranen doet lopen.”

 Ook Broeder Thomas had het rond 1300  over “Eerden rooc” en “Fumus terre”, dus de officiële naam Fumaria betekent ook Aardrook.  Hij schreef ‘Eerden rooc, fumus terre, heeft kracht humoer te verteren ende te reijnighen dat cruut besichtmen ter medicinen. Item teghen den rede (koorts) van couder zaken, nem dat sap ende drinct mit wine dat verdrijft den rede. Item dat cruut ghenomen ende in whine ghesoden ende dat warm ghedroncken dat sterct die maghe ende opluuct (opent) die zenen (spieren, zenuwen) ende aderen ende maect goede verduwinghe ende reynicht die colere (drift) ende zuvert binnen alle die leden’
 

Een beetje geschiedenis

Sinds de oudheid is duivenkervel bekend om zijn geneeskracht. Dioscorides (circa 40-90 na Chr.) en galenius  (131 – tussen 201 en 216) vermeldden de werking op galafscheiding en leverfunctie. Plinius, een Romeinse geleerde, schaarde de plant onder de belangrijke geneeskruiden. De plant wordt genoemd in diverse kruidenboeken uit de middeleeuwen.

Duivenkervel, een ogenschijnlijk banaal plantje van ons platteland, heeft een grote geneeskracht.  De medicinale toepassingen situeren zich op het vlak van:

-      regulator van de galfunctie,

-      bevordert de spijsvertering,

-      voorkomt migraine door stoornissen van de galwegen.

-      zweetopwekkend,

-      urinedrijvend door kaliumzouten,

-      laxerende eigenschappen,

-      bloedzuiverend (goed voor acné, eczema en  dermatitis)

-      lymfeklierzwelling,

-      versterkend middel.

-      Het heeft ook een slaapwekkende werking,

-      bloeddrukverlagende eigenschappen,

-      vertraagt de hartslagen

-      het is een anti-allergicum, een antioxidans,

-      lever ondersteunend

-      heeft een verdovende werking.

-      erg gewaardeerd bij ziektes van het ademhalingsstelsel.

Het is een krachtige hoest stiller, niet alleen in geval van allergische hoestprikkels, maar ook bij elke toestand van infectie op de luchtwegen, zoals verkoudheden, grieptoestanden en bronchitis.

Duivenkervel remt snel en effectief de hoestprikkels. De snelle werking van duivenkervel bij hoest komt doordat het kruid niet alleen lokaal, in de luchtpijp bijvoorbeeld, ingrijpt.

Het heeft namelijk ook een effect op het hoestcentrum dat in onze hersenen gelegen is.

Tenslotte vermelden we nog dat duivenkervel erg zuiverend is: bloed en lymfe worden gefilterd en gal-, nier- en zweetfuncties worden geactiveerd Dit is zeker een bijkomend voordeel als u naast de hoest ook wat verkouden of grieperig bent.

Omdat duivenkervel de gal- en leverfunctie verbetert, zweetopwekkend is, laxerend werkt en urinedrijvende eigenschappen heeft, beschikt het over een goede bloedzuiverende werking. Deze bloedzuivering is van belang voor mensen met huidziekten. Als er teveel afvalstoffen in het lichaam zijn, die door verminderde leverwerking niet kunnen worden uitgedreven op de normale manier, slaat het lichaam deze stoffen op in het bloed om hat vervolgens via de huid te doen uitdrijven. Het probleem hierbij is dat als deze stoffen zich in de huid bevinden, ze ontstekingen op celniveau kunnen veroorzaken wat tot allerlei verschillende soorten huidziekten kan leiden.

Combineer duivenkervel met andere hoeststillende planten in een siroop of een infuus. Infuus: twee à drie tassen per dag van een infuus van 15 min trekken van 50 g op 1 l water.

Je kunt deze plant middels verschillende bewerkingsvormen aanwenden.

Drie druppels moedertinctuur per dag,
500 tot 1000 mg nebulisaat(1:4) per dag,
Een kuur van 10 dagen met twee tot drie koppen thee van 50 gram van het gedroogde kruid op een liter water. Deze kuur dient 10 dagen te worden onderbroken en kan daarna weer worden aangevangen.

Als men zich aan deze voorschriften houdt is duivenkervel een volkomen veilig geneeskruid.
 

Nog even dit :

Duivenkervel is voor mensen een giftige plant door de aanwezige alkaloïden maar zoals bij vele giftige planten kan het dienen tot natuurmedicijn. Het is alleen giftig als men de plant als groente gaat eten.

Disclaimer bij het gebruik van deze blog

"Wilde planten in Brugge" is niet verantwoordelijk voor eventuele schade, van welke aard dan ook, als gevolg van het gebruik van planten voor medische of culinaire doeleinden.  “Wilde planten in Brugge” kan niet aansprakelijk gesteld worden voor aanspraken die voortkomen uit de verkeerde determinatie van een kruid of het verkeerde gebruik ervan in de ruimste zin van het woord. Dit artikel vervangt niet het deskundig advies van een arts of een erkend fytotherapeut.

Bronnen:



Moerasspirea


Moerasspirea - Filipendula ulmaria
 

Moerasspirea behoort tot de roosachtigen familie van de (Rosaceae) en is een opvallende plant van 50 tot 200 cm hoog. De stengel is recht en kantig met geveerde bladeren. De bloemen zijn witgeel en staan in schermen. Zoals de naam al aangeeft, is de moerasspirea een plant die het liefst op een vochtige plaats staat.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, ‘Filipendula’, is afkomstig van de Latijnse woorden ‘filum’ dat ‘draad’ betekent en ‘pendulum’ dat ‘hangen’ betekent. Met deze ‘hangende draden’ worden de karakteristieke wortels beschreven. Het tweede deel, ‘ulmaria’ betekent in het Latijn ‘zoals een iep’. Niet dat de moerasspirea op een iep lijkt, maar het geeft wel aan dat beide dezelfde werkzame stoffen hebben.

Het Nederlandse 'spirea' komt van het Griekse woord 'speiraie' dat 'spiraal' betekent en de vorm van de zaden beschrijft.
Moerasspirea komt algemeen voor maar is zeldzaam in de duinen en in de Polders.

Al in de middeleeuwen was moerasspirea bij kruidkundigen bekend, maar het duurde tot de renaissance voordat de geneeskrachtige eigenschappen werden beschreven. Daarop volgde een periode van grote bekendheid, vervolgens één van vergetelheid, alhoewel zij in de ‘Pharmacopoea Galeno-Chimoco-Medica’ van Wouter van Lis uit 1747 nog wordt genoemd.

In elk geval wordt het kruid in het begin van de 20ste eeuw in ere hersteld, en sindsdien is haar geneeskundige betekenis niet meer getaand. Moerasspirea bevat namelijk de inhoudsstof salicylzuur, het element wat het aspirientje zo’n geliefd pijnstillend middel maakt, inmiddels kan salicylzuur chemisch worden nagemaakt.

In het Engels is een van haar namen ‘Queen of the Meadows’ en in het Frans ‘Reine de Pres’.  En koninklijk is zij zeker. Het was het favoriete strooikruid van Elizabeth I van Engeland. Het strooien van geurende kruiden op de vloer was een gewoonte die van de middeleeuwen tot in de 17de  eeuw gebruikelijk was.  Op deze manier werden vieze luchtjes verdoezeld en tegelijkertijd hield het ook ongedierte tegen. Dit gebeurde alleen bij de rijken.

De geurige bloemen werden samen met andere bloemen (o.a. kamperfoelie), in huizen en kerken gelegd om onaangename geuren te verdrijven. Moerasspirea maakte ook dranken geuriger.  De bladeren werden toegevoegd aan rode wijn.

Moerasspirea was samen met de Mentha Aquatica (watermunt) en de Verbena Officinalis (ijzerhard) één van de drie heilige kruiden van de Druïden.

De moerasspirea (Filipendula ulmaria) geurt (en smaakt) naar amandel. De plant werd dan ook vroeger veel gebruikt om onplezierige luchtjes uit een huis te krijgen (strooikruid). "Een kruid waarvan de geur het hart vrolijk en blijde maakt en de zintuigen in verrukking brengt" schreef Gerard in de 17de eeuw. Ook nu nog vind je ze in potpourri terug. Ook werden bier en wijn gekruid met de moerasspirea, terwijl de bloemen in confituren werden toegevoegd om ze een fijn amandelsmaakje te geven.
 
Echt ver gaat de geschiedenis van de moerasspirea niet terug, al stond de plant wel al vroeg bekend om zijn heilzame eigenschappen. De plant heeft onder meer een positief effect voor soepele gewrichten. Tevens heeft de plant pijnstillende, koortsverlagende en ontstekingsremmende eigenschappen, en werd hij vroeger gebruikt tegen malaria en buikloop.  In de volksgeneeskunde werd moerasspirea ook aangeraden voor blaas- en nierontstekingen.

Er worden nog meer krachten aan moerasspirea toegeschreven zoals liefde. Pasgehuwden kregen moerasspireabloemen toegegooid of kregen er als geluksbrenger een slinger van aangeboden.

De hele plant geurt lekker, ook de bladeren( maar anders dan de bloemen)  en kunnen als potpourri dienen waarbij ze dan ook nog een magisch effect hebben: als je de vrede wil bewaren leg dan moerasspirea her en der in je huis.

Ook diende het kruid als aromatische toevoeging voor wijn en bier.

De gedroogde bladeren, bloemen en wortels worden medicinaal gebruikt. Rembert Dodoens  (Mechelen, 29 juni 1517 of 1518 – Leiden, 10 maart 1585) wees op een koortswerende werking bij o.a. verkoudheden als een afkooksel van de wortel in wijn. Culpeper schreef het voor bij vloeiingen van elke aard (vooral bij diarree).  Tijdens de Renaissance vooral gebruikt ter verlichting van reumatische pijnen door de urinedrijvende, zuiverende werking en om te koorts verminderen.

Achteraf hebben wetenschappers uit de moerasspirea de inhoudsstof 'salicine' gedefinieerd, chemisch verwant aan 'salicylzuur'.

Acetylsalicylzuur is beter gekend onder de naam aspirine dat er trouwens van afgeleid is. De A staat voor acetyl en spir wijst naar het sap van de moerasspirea. Het was trouwens de eerste plant waarin men rond 1827 salicylzuurderivaten aantrof, die rond 1838 voor het eerst konden geëxtraheerd worden. Het gebruik van deze plant zal evenwel niet de bijwerkingen van de aspirine vertonen, zo zal het de maag niet belasten, omdat de salicylaten nauwelijks voorkomen als vrij salicylzuur maar in de natuur vergezeld zijn van andere stoffen zoals looistoffen en flavonoïden.
 
Werking

Moerasspirea kent vele toepassingen zowel op medicinaal, cosmetisch als culinair vlak.

Een van de beste middelen voor de spijsvertering. Het beschermt het slijmvlies van het spijsverteringskanaal, verminderd overvloedig maagzuur, gaat daardoor oprispingen tegen en verminderd misselijkheid.

De infusie van de plant wordt gebruikt voor de behandeling van de verkoudheid en reumatische pijnen.

Het afkooksel van de wortels wordt gebruikt als een algeheel versterkende middel en als diureticum.

Afkooksel van de bloemen wordt gewaardeerd als een bewezen remedie bij waterzucht, reuma en jicht.

Kompressen met extracten van de plant of de wortels worden toegepast op gewrichten aangetast met artritis of reuma en wordt gebruikt voor het wassen van de ogen bij conjunctivitis.

Infusie van moerasspirea heeft een antibacteriële werking.

Het afkooksel van de bloemen van moerasspirea heeft een versterkende werking op de bloedvaten en heeft een anti-inflammatoire en beschermende tegen de stress eigenschappen. Het gebruik van het blad en de bloemen van moerasspirea wordt geadviseerd als ondersteunende behandeling bij verkoudheid.

De plant bevat salicylaten en werkt antimicrobieel, ontstekingsremmend, pijnstillend, koortsverlagend, zweet- en urine afdrijvend. Er worden bereidingen uit losse bloemen en bladeren gebruikt, voornamelijk in combinatie met andere geneeskrachtige planten.

Thee: schenk 150 ml kokend water over 1/2-1 theelepel kruid, laat dat 10 tot 20 minuten trekken, drink een aantal malen per dag een kopje verwarmde thee. De bloemen werken sterker dan de bladeren.

Cosmetisch:

De bloemen worden gebruikt in de parfumindustrie en verwerkt in huidlotions en massageoliën.
Een crème van blad en bloemen of een brijomslag van verse bladeren kan gebruikt worden bij couperose.
Aftreksels of crèmes worden ook gebruikt om de huid lichter te maken.
Baden van moerasspirea en schietwilg ter ondersteuning van vermageringskuren: geconcentreerd aftreksel van 500 gr kruiden aan het badwater toevoegen
Culinair:

Eetbaarheid: Je kunt de bloempjes toevoegen aan inmaakazijn, en aan jams, waardoor er een soort amandelgeur bij komt.

De bloemen hebben een honing amandelgeur en een licht bittere, samentrekkende smaak.

De bloemen worden verwerkt in bieren, mede, cider, kruidenwijnen, jam, gelei, compotes, siropen, sappen, kruidenazijn.

De jonge blaadjes worden soms aan salades toegevoegd, ze geven er een komkommerachtige smaak aan.

In stoofgerechten en soepen.

Contra-indicaties:

Mensen met astma moeten geen moerasspirea gebruiken omdat het een licht vernauwend effect heeft op de longen (bronchospasmen).  Er zijn ook mensen overgevoelig voor aspirine, en in dat geval moet je ook geen moerasspirea gebruiken.  Bij zwangerschap of als je de borst geeft,  dit kruid ook niet gebruiken. Er zijn mogelijk interacties met: bloedverdunners (aspirine, anticoagulantia, heparine, ontstekingsremmers, diuretica, hartritmemedicatie, hartglycosiden, theophyllinederivaten (anti-astma).

Disclaimer:

"Wilde planten in Brugge" is niet verantwoordelijk voor eventuele schade, van welke aard dan ook, als gevolg van het gebruik van planten voor medische of culinaire doeleinden.  “Wilde planten in Brugge” kan niet aansprakelijk gesteld worden voor aanspraken die voortkomen uit de verkeerde determinatie van een kruid of het verkeerde gebruik ervan in de ruimste zin van het woord. Dit artikel vervangt niet het deskundig advies van een arts of een erkend fytotherapeut.

Bronnen:

Heel interessant is het artikel op pagina: http://www.libervitae.be/
http://www.astrologie.ws/kruiden/moerasspirea.htm

http://www.herbasanitas.nl/moerasspirea-ontstekingsremmend-en-pijnstillend/

Kompassla


Kompassla - Lactuca serriola
 

De kompassla of wilde sla is een éénjarige of tweejarige plant uit de composietenfamilie (Compositae of Asteraceae). De Nederlandse naam is gegeven doordat de gedraaide bladtoppen de noord-zuidrichting aanwijzen. Alle slasoorten zijn ontstaan uit de kompassla.

Zijn broertje, de gifsla (Lactuca virosa), is een giftige eenjarige of tweejarige plant. De plant lijkt veel op kompassla, maar de bladeren zijn meestal niet gedraaid en de nootjes zijn niet behaard. Ook zijn de jonge nootjes van kompassla niet geel tot oranje maar wit tot crème gekleurd.

Lactuca komt van lac (melk) en duco (voeren), naar het melksap, dat de planten bevatten. Serriola betekent ‘zaagje’.

Vermoedelijk komt kompassla oorspronkelijk uit Zuidwest-Azië en Zuidoost-Europa (een steppeplant). Nu komt de plant voor in alle werelddelen, in gebieden met een gematigd klimaat.

Kompassla is nauw verwant aan de bladgroente sla. Behalve in hun blad verschillen beide soorten ook in de vorm van de pluim.

Vanuit een penwortel groeit een plant die onder gunstige omstandigheden tot twee meter hoog kan worden. De stengel blijft onvertakt tot ze bovenaan in een eindstandige pluim vertakt.
Bij kompassla staan de bladeren noord-zuidwaarts gericht. De naar het noorden of zuiden gerichte bladeren zijn boven de voet een kwartslag gedraaid, zodat ze een verticale positie innemen. Dit hele gedraai zou erop gericht zijn afgeschermd te zijn voor een te sterke verhitting door de middagzon.

De bladen kunnen variëren van ongelobd tot veerspletig. Het vreemde is dat het een plant is met verschillende bladeren. Dat komt wel vaker voor. Onderaan en bovenaan een plant verschillen de bladeren van bepaalde planten nogal eens, ook naar gelang hun ouderdom of seizoen.

De lichtgele 1-1,5cm grote bloemhoofdjes bevatten lintbloemen. Na twaalf uur 's middags zijn ze vaak al uitgebloeid. De rijpe nootjes zijn aan de top kort behaard en lichtbruin met donkere vlekjes. De bloeiperiode loopt van juli tot en met september.

De plant scheidt bij insnijding een wit melksap af.

Kompassla is van oorsprong een steppeplant en komt als pioniervegetatie voor op zonnige open plaatsen. Zowel op droge als meer vochtige, voedselrijke, vaak kalkhoudende omgewerkte gronden in wegbermen, op stortplaatsen, oude zandhopen, spoordijken, aan stenige waterkanten en ook tussen straatstenen kan het door de wind aangevoerde zaad ontkiemen. Het is een algemene soort geworden in stedelijke gebieden. In België komt ze sinds 1960 op steeds grotere schaal voor.

Hoewel kompassla  in de volksgeneeskunde werd gebruikt om de darm, de luchtwegen, en vasculaire aandoeningen te behandelen ontbreekt tot nog toe wetenschappelijk onderzoek om dergelijke toepassingen te rechtvaardigen.

Alle delen van de plant zijn giftig. Die giftigheid werd vroeger in de volksgeneeskunde gebruikt. Ze werd samen met het eveneens giftige bilzekruid en scheerling verwerkt tot een narcoticum.
 
De hele plant is rijk aan een melkachtige sap dat vrij uit alle inkervingen stroomt. Dit sap verhardt en droogt wanneer het in contact komt met de lucht. Het bevat de stof lactucarium, dat in de geneeskunde wordt gebruikt voor zijn krampstillende, hypnotische, verdovende en kalmerende eigenschappen. Lactucarium heeft in zekere mate het effect van opium, maar zonder de neiging tot spijsverteringsproblemen, noch is het verslavend. Het is inwendig toepasbaar bij de behandeling van slapeloosheid, angst, neurosen, hyperactiviteit bij kinderen, droge hoest, kinkhoest, reumatische pijn enz… 

De concentraties lactucarium zijn laag en meest geconcentreerd wanneer de plant in bloei komt. Het wordt commercieel verzameld door het insnijden van de hoofden van de planten en schrapen het sap. Kompassla bevat niet zo veel lactucarium als Lactuca virosa.

De plant moet met voorzichtigheid worden gebruikt, en nooit zonder toezicht van een arts of vakman. Zelfs normale doses kunnen slaperigheid veroorzaken. Overdosis kan leiden tot de dood door middel van cardiale verlamming. Van de vaste olie uit de zaden wordt gezegd dat het hypnotische eigenschappen bezit. Een homeopathisch geneesmiddel wordt gebruikt bij de behandeling van chronische catarre, hoest, gezwollen lever, winderigheid en aandoeningen van de urinewegen.
 

 Disclaimer

"Wilde planten in Brugge" is niet verantwoordelijk voor eventuele schade, van welke aard dan ook, als gevolg van het gebruik van planten voor medische of culinaire doeleinden.  “Wilde planten in Brugge” kan niet aansprakelijk gesteld worden voor aanspraken die voortkomen uit de verkeerde determinatie van een kruid of het verkeerde gebruik ervan in de ruimste zin van het woord. Dit artikel vervangt niet het deskundig advies van een arts of een erkend fytotherapeut.

 Bronnen:


Akkerhoningklaver


Akkerhoningklaver (citroengele honingklaver) - Melilotus officinalis
 

De akkerhoningklaver (Melilotus officinalis), ook vaak citroengele honingklaver genoemd, is een tweejarige- of meerjarige plant uit de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae). De plant komt van nature voor in Zuid-Europa, maar is tegenwoordig overal verspreid.

Citroengele honingklaver wordt gemakkelijk verward worden met de Goudgele honingklaver (Melilotus altissimus). Bij de Goudgele honingklaver zijn de zaden aangedrukt behaard en zijn de zwaarden van de bloem even langs als de kiel. Bij de citroengele honingklaver zijn de zwaarden langer dan de kiel (lijkt hier het geval) en zijn de vruchten kaal. De goudgele honingklaver is ook zeldzamer dan de meer algemene citroengele honingklaver.

Klaver komt mogelijk van een Indo-Germaanse grondvorm glei (smeren), naar het kleverige vocht van de bloemen. Citroengeel slaat uiteraard op de kleur van de bloemen. Honingklaver bevat veel nectar, vandaar de Nederlandse naam. Melilotus bestaat uit de Griekse woorden meli (honing) en lotus (klaver). Officinalis betekent ‘geneeskrachtig’ of ‘uit de apotheken’ en verwijst naar het medicinale gebruik van de plant.

In het antieke Egypte werd honingklaver reeds aangewend om zijn culinaire en medicinale kwaliteiten. In het oude Griekenland vlocht men kransen van honingklaver en deed deze om het hoofd om hoofdpijn te bestrijden. Daarnaast was volgens de antieken, waaronder de Romeinen, citroengele honingklaver goed voor de welsprekendheid. Ook is bekend dat de Grieken pleisters maakten met honingklaver tegen kneuzingen en reumatische pijnen. De Romeinen versierden hun haar met het verse kruid.
 
Honingklaver van de middeleeuwen tot nu.

In de middeleeuwen werd akkerhoningklaver ook wel eens gebruikt om het bier mee te kruiden.

Tegen verkoudheden dronk men honingklaverthee. De volksgeneeskunde zette de Griekse traditie van het gebruik van pleisters voort. Het eten of drinken van thee op basis van honingklaver was een volksgeneeskundige methode om van maagdarmkrampen af te komen.  Behalve honingklaver zaten er andere ontsmettende kruiden in deze anti-maagkrampthee. Deze medische werking wordt nog steeds in de door wetenschap onderbouwde fytotherapie aangewend. Reumatische aandoeningen en gezwellen worden er al eeuwenlang mee behandeld. Deze werking wordt trouwens ook toegepast in de hedendaagse praktijk van fytotherapeuten.

Het wordt gebruikt als middel ter bevordering van de doorbloeding en voor het behandelen van aambeien. Honigklaver is zowel een tonicum en een aansterkend middel voor het bloed als voor de aders. Het verbetert de aderlijke terugvloei, verhoogt de capillaire weerstand en vermindert de permeabiliteit van de haarvaten, wat erop neerkomt dat de aders minder vocht verliezen door de bloedvatwanden heen. Zodoende is akkerhoningklaver een goed middel bij spataders en aambeien. Voor dit doel zijn er talrijke galenische preparaten voor inwendig gebruik op de markt, maar ook zijn er zalven met dit kruid als werkzaam bestanddeel te verkrijgen. 
 
 
Honingklaver tegen spataders.

Spataders is een vervelende ziekte die wordt veroorzaakt door aderlijke stuwing. Het bloed kan niet genoeg terug stromen waardoor opeenhopingen van bloed ontstaan die ertoe leiden dat aders uiteen spatten. In de reguliere geneeskunde bestaan geen medicijnen tegen spataders; als het te erg is worden ze operatief verwijderd. Dat zet natuurlijk geen zoden aan de dijk omdat de oorzaak van het probleem onopgelost blijft. Honingklaver kan spataders voorkomen en genezen, tenminste het is één van de kruiden die ertegen wordt ingezet. Hieronder staan de indicaties die te maken hebben met spataders waarbij honingklaver uitkomst kan bieden als fytotherapeutisch medicijn.

Honingklaver is een geneeskruid tegen varices of spataderen en de gevolgen ervan in de vorm van:
- Zwaartegevoel, vermoeid gevoel in de benen, gespannen benen.
- Nachtelijke kuitkrampen door aderlijke stuwing.
- Oedemen in onderbenen en enkels.
- Restless legs.
- Tintelingen, gevoelsstoornissen, jeuk.
- Pigmentvlekjes en witbleke vlekjes door zuurstoftekort.
- Dunne huid met slecht genezende wonden.
- Ulcus cruris of open been, spataderzweer.
- Vrieswonden en acrocyanose.

Behalve de positieve werkingen op de bloedvaten, waarvoor honingklaver het meest gebruikt wordt, heeft dit bittere geneeskruid enkele andere helende werkingen waarvan het onterecht zou zijn om ze onvermeld te laten. Hier staan ze opgesomd inclusief de redenen waarom honingklaver een goed middel is. Honingklaver kan worden ingezet bij:

- Oedemen omdat het vochtafdrijvend is.
- Maagdarmkrampen, pijnlijke spijsvertering en flatulentie omdat het krampen opheft en wind verdrijvend is door de vele cumarinen die het bevat.

- Slapeloosheid, zenuwachtigheid en melancholie omdat het kalmerende, slaapverwekkende en pijnstillende eigenschappen heeft.

- Spanningshoofdpijn en zenuwpijn vanwege het feit dat het rustgevend en pijnstillend werkt.
- Prikkelbare darm syndroom omdat het krampen opheft, rustgevend werkt en de pijn sust.

Vanwege het wisselend gehalte aan werkzame stoffen (curamine) moet echter voorzichtig omgesprongen worden bv. met de thee.
 
Uitwendige toepassing honingklaver.

De geneeskracht van honingklaver blijft niet beperkt tot inwendig gebruik. Je kunt oogbaden toepassen en omslagen gebruiken met een afkooksel of maceraat van deze plant.
De ontstekingswerende en samentrekkende werking zijn samen met de veneuze circulatie stimulerende eigenschap verantwoordelijk voor het grootste deel van de geneestoepassingen voor uitwendig gebruik. Daarnaast wordt de opslorping van het lichaam van bloedingen verbeterd, zodat bijvoorbeeld blauwe plekken minder lang zichtbaar blijven.
Deze geneeskrachtige kenmerken worden omgezet in fytotherapeutische voorschriften bij de volgende indicaties:

- Oogbindvliesontsteking door rook en overmatige inspanning.- Ooglidrandontsteking.- Huidzweren, steenpuisten, wondroos.
- Pijnlijke reumatische gewrichten.
- Kneuzingen, verzwikkingen.
- Spataders met zwaartegevoel, pijnlijke vermoeide benen en rusteloze benen.
- Jeuk, nachtelijke krampen, aambeien.
- Blauwe plekken, puntvormige bloedingen.

Het homeopathische ‘Meliotus’ wordt uit verse, bloeiende planten bereid. Men gebruikt het tegen hevige hoofdpijn, migraine en neusbloedingen. Kinderen die vaak krampen hebben vinden verlichting door Meliotus.  De aanbevolen potenties zijn D4 tot D6. Hiervan neemt men om de twee uur, of in elk geval meermaals daags vijf à tien druppels.

In de volksgeneeskunde is akkerhoningklaver een veelgebruikt middel bij spataders en aambeien.  Hoofdzakelijk wordt de thee gedronken, maar men bereidt ook zalven met varkensvet als basis. Ook de zalven zijn voor de behandeling van spataders of voor het masseren van gezwollen benen.

Kruidenzakjes legt men op de ontstoken gewrichten en zweren.  Op dezelfde manier probeert men ook steenpuisten en negenogen te laten rijpen.  De thee wordt ook als hoestmiddel gedronken.

Belangrijke opmerkingen:

Bij het innemen van grotere hoeveelheden van de plant kunnen vergiftigingsverschijnselen voorkomen. Bij een hoeveelheid van meer dan 4 gram melilotus-extract treden bij volwassenen duizeligheid, braken en hoofdpijn op.

Gebruik de etherische olie van honingklaver nooit inwendig! Er zijn sterke aanwijzingen op carcinogene eigenschappen.  Oppassen met overdadig gebruik: er is kans op misselijkheid, braken en duizeligheid, algemene zwakte en hoofdpijn.

Door de bloed verdunnende effecten niet gebruiken 14 dagen voor een chirurgische of tandheelkundige ingreep!  Niet geven aan personen met een actieve bloeding, vb. een bloedende maagzweer!
Gebruik in de keuken:

Van april tot juni kun je de jonge scheuten oogsten. Laat ze 1 à 2 dagen verwelken en gebruik ze dan als aroma in groente- en melkgerechten door ze mee te koken en nadien weer te verwijderen, of aromatiseer er wijn en bowl mee.  Fijngesneden zij ze bij de bereiding van kaas als smaakmaker te gebruiken.

Van mei tot september kun je het loop samen met de bloemen als smaakmaker meekoken bij de bereiding van bijvoorbeeld compote of marmelade.  In gedroogde vorm wordt er likeur, wijn en limonade mee gearomatiseerd.  Verpulverd ontstaat een zoete kruiderij, die bij het bakken in desserts benut kan worden.

De bladeren kun je voor de bloei in april in kleine hoeveelheid vers door slasauzen mengen. Ook de van september tot april geoogste en gedroogde wortels kunnen als smaakmaker gebruikt worden.

Akkerhoningklaver smaakt zoet aromatisch, lievevrouwebedstro-vanilleachtig en ruikt ook zo.

Let op: Alle plantendelen bevatten cumarine.   Deze stof kan hoofdpijn veroorzaken als je er te veel van gebruikt. De plant ook niet nuttigen bij gebruik van bloed verdunnende medicijnen!

Disclaimer:

"Wilde planten in Brugge" is niet verantwoordelijk voor eventuele schade, van welke aard dan ook, als gevolg van het gebruik van planten voor medische of culinaire doeleinden.  “Wilde planten in Brugge” kan niet aansprakelijk gesteld worden voor aanspraken die voortkomen uit de verkeerde determinatie van een kruid of het verkeerde gebruik ervan in de ruimste zin van het woord. Dit artikel vervangt niet het deskundig advies van een arts of een erkend fytotherapeut.

Bronnen:




 - Eetbare wilde planten.(Guido Fleischhauer, Jürgen Guthmann, Roland Spiegelberger)

- Handboek van geneeskrachtige kruiden (M. Pahlow)